Dossier Strijd tegen IS

Blog: Robin Ramaekers langs het IS-front

VTM NIEUWS-journalist Robin Ramaekers en cameraman Jo Verstichel reizen een week langs de frontlijn met Islamitische Staat in Irak. Ze praten er met strijders, vluchtelingen, ooggetuigen van de terreur van IS. Je kan hun reisverhaal de hele week op de voet volgen in deze blog. 

Zondag 24 januari: Westelijk front - Tishrin Dam

We rijden weg uit Kobane, richting westen naar Tishrin aan de Eufraat. We zijn onze reis begonnen aan de Tigris waar we vanuit Iraaks Koerdistan Syrië binnen kwamen. Het meest westelijke front met IS ligt net over de Eufraat. Het heeft wel iets als titel: van Tigris tot Eufraat. Dorp na dorp ligt er verlaten bij, IS-vlaggen op de muren van strategische gebouwen. Alles is kapotgeschoten na zware gevechten met de Koerdische milities die hier nu de plak zwaaien.

Een grote poort boven de weg, zwart met witte IS-vlag bovenaan, brengt ons aan de dam van Tishrin. Een stuwdam die onder meer de IS-hoofdstad Raqqa van elektriciteit voorziet. Het is één van de belangrijkste overwinningen van de Koerdische YPG op de Islamitische Staat. De stekker uit het stopcontact, zeg maar. Enthousiaste YPG-strijders staan te zwaaien met de foto van hun idool Abdullah Öcalan, de Koerdische PKK-leider.

Aan de muur van hun wachthuisje hangt een kindertekening: een figuurtje ligt op de grond met zijn hoofd op zijn rug gezet, het mannetje ernaast heeft een mes vast, grote schoenen hangen boven zijn hoofd. De wat cryptische kindertekening blijkt, bij navraag, een IS-strijder te zijn die door de schoenzolen van Koerdische strijders wordt verpletterd … De strijd leeft, ook bij de jongste generaties. Zo veel is duidelijk.

Om de dam en de Eufraat over te mogen, moeten we wachten op een escorte. Aan de andere kant van het water zitten we aan het front. Welgeteld 7 kilometer de voorbije weken op IS veroverd gebied scheiden ons nog van de vuurlinie. Een Toyota Hilux komt aangereden met in de laadbak een machinegeweer gemonteerd. Precies zo een als de overbekende IS-bakjes, maar dan in de kleuren van de YPG. Een meisje staat aan het machinegeweer, een ander meisje zit aan het stuur. De auto’s mogen dan identiek zijn, wat betreft de “bemanning” kan het contrast met IS niet groter zijn. En dat weten ze.

De Koerdische milities zijn maar wat trots op hun vrouwenafdeling, de YPJ. Ze worden aan alle fronten ingezet, op de eerste rij, net als de mannen. Het maakt deel uit van de politieke cultuur van de Koerdische YPG/YPJ. Geschoeid op marxistische leest. Iedereen gelijk, ook in de strijd. Maar in de confrontatie met IS is er meer aan de hand dan politieke cultuur. De strijders van Islamitische Staat zijn namelijk doodsbenauwd om door een vrouw te worden gedood. Het zou hun kansen op het paradijs en de 72 ermee gepaard gaande maagden ernstig op het spel zetten.

Het klinkt als een grap, maar de inzet van vrouwen blijkt voor de Koerden een gouden zet te zijn in het ondermijnen van de moraal van de mannen aan de andere kant de frontlijn. In een vooruitgeschoven post ontmoeten we Rokan en Arin, ingegraven in hun schietpositie met zicht op een rij huizen een kilometer verderop. Bij elke beweging schieten ze. Gemotiveerd wellicht door onze aanwezigheid. Ze vertellen me dat ze al twee jaar vechten in de rangen van de YPJ. Vanaf hun 17, 18 jaar dus. Schrik hebben ze niet. Integendeel: hoe brutaler de vijand zich gedraagt, hoe meer moed ze eruit putten. Tientallen vriendinnen zijn de martelaarsdood gestorven. Een eervolle dood, ten dienste van het volk. Voor hen geen paradijs en al helemaal geen maagden, maar wel hun foto’s overal in het straatbeeld.

Een derde meisje komt aangereden, en roept ons naar haar truck. Ze zit te giechelen met haar AK47 op de schoot. Ze kijkt in de spiegel, lacht haar witte tanden bloot en poseert met haar knuffel. Een wit pluchen konijntje. Het is een vreemde wereld aan het front. Staalharde vechters en giechelende kindvrouwtjes zijn twee gezichten van dezelfde realiteit.

Een groep Arabische strijders komt een kijkje nemen. Ze maken deel uit van een coalitie met de Koerden. Op hun vrachtwagen staat een zwaar stuk artillerie, luchtafweer. Niet dat ze vliegtuigen uit de lucht willen halen, want de overvliegende straaljagers zijn bondgenoten. Amerikanen. Het luchtafweergeschut wordt hier gebruikt om op lange afstand doelwitten op het land te treffen. De .23 munitie gaat dwars door alles heen op een afstand van vele kilometers. Niet erg efficiënt, aangezien de kogels niet ontploffen maar enkel doorboren. Maar indrukwekkend is het wel.

Het ding moet getest worden omdat er een probleem is met het sturingsmechanisme. Als we zin hebben mogen we mee komen kijken, een eindje verderop waar er een groepje huizen in de verte als oefendoelwit zal dienen. Het heeft iets van een spel. Er wordt gelachen, geduwd en getrokken. Met een man of tien staan ze rond het geschut. Tientallen kogels worden er door gejaagd. Zware knallen die je voelt tot in het diepste van je vezels. Elk salvo gaat gepaard met veel jolijt. Tot er plotseling een man op het dak van het gebouw naast de schietpositie begint te schreeuwen.

Er blijken mannen in het zwart weg te lopen uit het huis nauwelijks 700 meter verderop dat als oefendoelwit wordt gebruikt. IS-strijders. Het spelletje wordt plots bittere ernst. De salvo’s volgen elkaar nu snel op. Op het dak liggen twee snipers die de lopende mannen proberen te raken. Een jeep rijdt zigzaggend weg van het huis in de verte. Te beweeglijk om met luchtafweer te raken. Ze ontsnappen. De rust keert weer. De strijders poseren voor de foto. De avond valt en het wordt hoog tijd voor ons om terug te keren naar veiliger oorden. Klaar voor een lange terugreis.

Zaterdag 23 januari: Terug naar Kobane

We naderen Kobane vanuit het westen. De dorpen waar we door rijden lijken verlaten. Veel huizen zijn aan flarden geschoten. Hier en daar een prijkt er nog een vlag van IS op een gevel. Rijtjes obussen staan keurig opgesteld langs de kant van de weg. Alsof iemand ze elk moment zal komen ophalen. En dan plots staat er tussen het puin een gloednieuw bord in de berm, in stralende wit en blauwe letters: welkom in Kobane! Honderd meter verderop begint de stad, of wat er nog van rest. Het contrast tussen het bord en de realiteit is groot, maar ook weer niet, zo zal nog blijken.

Maar eerst een beetje context: Kobane is niet zo maar een stad. Het moet, naast Aleppo, zowat de meest iconische plaats in Syrië zijn als het gaat over de allesvernietigende waanzin van de oorlog. Bijna exact een jaar geleden, op 26 januari 2015, werd Kobane officieel bevrijd verklaard van IS. Maar daar gingen vijf maanden van waanzin aan vooraf. IS had op een bepaald moment meer dan 90 procent van de stad in handen. De Koerdische strijders verdedigden niet meer dan enkele huizenblokken in een totaal uitzichtloze situatie. Het was pas op het allerlaatste nippertje dat de Amerikaanse bombardementen alsnog de doorslag gaven in de herovering van de stad op IS. Het waren diezelfde bombardementen die Kobane volledig herleidden tot puin.

Weinig steden in de wereld zijn sinds de tweede wereldoorlog zo waanzinnig platgebombardeerd als deze Syrisch-Koerdische stad pal op de grens met Turkije. Ik zie de IS-vlaggen nog wapperen, op de heuvel ten oosten van het stadscentrum. Ik herinner me de indrukwekkende explosies. Het voortdurende geratel van machinegeweren. We zaten net aan de overkant van de Turkse grens vanop een andere heuvel de waanzin te filmen die zich enkele kilometers voor onze neus afspeelde. Alles beangstigend vlakbij, en toch zo ver weg. Het was een soort nare 3D openluchtcinema, maar dan echt. Naar Kobane gaan was op dat moment geen optie. Je kon enkel toekijken, samen met honderden vluchtelingen op dezelfde Turkse heuvel, starend naar hun stad die voor hun ogen aan flarden werd geschoten.

En vandaag, ruim een jaar later, zit ik in het enige ‘hotel’ van diezelfde stad te tikken na een lange dag de stad te hebben doorkruist, en met zoveel mogelijk mensen te hebben gesproken. Een man die ik vandaag ontmoette was er stellig van overtuigd dat hij naast me stond op de heuvel aan de Turkse kant van de grens. Met tranen in de ogen staat hij me nu aan te kijken, aangegrepen door het feit dat we elkaar nu zagen in zijn stad. Iets wat hij toen nooit had durven dromen. Het zou kunnen dat we elkaar inderdaad hebben gezien toen op die heuvel in Suruc. Ik kan het me niet herinneren. Maar de ontmoeting met de man in de resten van zijn huis in Kobane ontroerde mij ook, maar op een andere manier. Er is namelijk iets heel bijzonders aan Kobane.

De eerste indruk is die van de aangerichte schade die alle verbeelding te boven gaat. Maar hoe meer teruggekeerde burgers je aanspreekt op straat, hoe meer je het gevoel krijgt dat de tot schroot gebombardeerde stad in realiteit niet meer bestaat maar des te meer leeft in de hoofden en harten van haar bewoners. Niemand die ons vandaag heeft weggewuifd, niemand die geen tijd voor een babbel had, niemand die ons niet thuis wou ontvangen met thee en koffie. En met thuis bedoel ik, de ruïnes waar de mensen nu in kamperen. Ingestorte huizen waar de was boven wappert. Twee muren met een zetel en een tafel onder een zeil. Een gebouw zonder voorgevel. Een tent op een hoopje puin. Net zoals de stad, die in feite niet meer bestaat, voortleeft in de mensen, leeft hun thuis voort in hun weggeblazen huizen. Er is geen geld in Kobane. Bouwmaterialen zijn schaars, en dus onbetaalbaar. De grens met Turkije wordt strenger bewaakt dan ooit. Het puin wordt al een jaar geruimd maar de heropbouw van de stad laat op zich wachten.

En toch lijkt er geen sprake van wanhoop. De teruggekeerde vluchtelingen maken er het beste van. Ze zitten samen op straat thee te drinken. Ze helpen elkaar met puin ruimen. Maar bovenal ze leven opnieuw op de plek waar ze ook willen sterven, en dat is meer dan ze een jaar of twee hadden durven dromen. Je zou Kobane makkelijk kunnen omschrijven als een verschrikking. Het decor leent er zich alleszins toe. Maar op een vreemde manier voel het hier warmer en huiselijker aan dan ik ooit gevoeld heb in oneindig veel mooiere en rijkere steden. Een vakantieoord zal het wellicht nooit worden, maar een thuis is het zeker.

Vrijdag 22 januari: Vluchtelingenkamp in Mabroukah

Mabroukah is een klein stadje gelegen in de smalste strook van Rojava, het door de Koerdische milities gecontroleerde gebied. De hermetisch afgesloten Turkse grens aan de ene kant, IS-gebied aan de andere zijde, beiden op nauwelijks 30 kilometer van elkaar. De ligging maakt van Mabroukah de plek waar veel vluchtelingen vanuit Raqqa, Aleppo en de laatste week vooral uit Deir-ez-Zor toestromen. Op zoek naar veiligheid, en een minimum aan beschutting.

Een afgedankt schoolgebouw doet dienst als geïmproviseerd vluchtelingenkamp, al is de plek die naam nauwelijks waardig. Rond de 500 mensen kamperen hier in een paar klaslokalen, op het dak en op de speelplaats. Het stinkt er. Kleine kinderen spelen tussen het afval en de uitwerpselen. Stromend water, verwarming, toiletten, het is er allemaal niet. Een overbevolkte vuilnisbelt is het, zo geeft de lokale verantwoordelijke van de Koerdische milities toe, maar beter is voor het ogenblik niet beschikbaar. En toch lijkt iedereen die we aanspreken vooral blij dat ze zijn weg geraakt uit hun door IS geteisterde steden en dorpen.

Vooral Deir-ez-Zor, enkele honderden kilometers verderop, heeft het de voorbije weken zwaar te verduren gekregen. De stad was tot voor kort in handen van het Syrische regime, een eiland in een zee van door IS gecontroleerd gebied. De verovering van Deir-ez-Zor ging gepaard met een slachtpartij en vele honderden inwoners worden er vandaag gegijzeld gehouden. Onafhankelijke waarnemers zijn er niet, aangezien de stad volledig geïsoleerd is in IS-gebied.

De enige getuigen zijn de mensen die er in slaagden om te ontsnappen. Velen van hen komen nu mondjesmaat aan in Marbroukah, na een lange tocht midden door de woestijn, dwars door IS territorium. Maar getuigen over de gruwel ligt gevoelig. De meeste mannen in het schooltje verstoppen zich voor ons. Het risico is te groot om te praten voor de camera.

Een van de mannen uit Deir-ez-Zor neemt me apart en vertelt me, in perfect Engels, dat niemand echt openlijk zal vertellen wat er in zijn thuisstad is gebeurd. Iedereen heeft er nog familie zitten, als ratten in de val. Eén negatieve getuigenis die IS onder ogen krijgt, is – zo zegt hij – genoeg om de koppen van je geliefden te doen rollen. Of het risico reëel is of niet doet er eigenlijk niet toe. De mannen geloven het, en dat is genoeg om ze te doen zwijgen.

De vrouwen praten makkelijker. Van achter hun sluier laten ze me duidelijk verstaan dat ze gevlucht zijn voor het onmenselijke bewind van Islamitische Staat. Echt in detail treden ze niet, maar de anekdotes spreken voor zich. Eén vrouw vertelt hoe een paar jonge zwangere vrouwen uit haar familie om een futiliteit tot zweepslagen werden veroordeeld. Ze verloren allebei hun ongeboren kind. Een andere vrouw getuigt hoe ze plotseling niet meer naar de tandarts mocht zonder volledig gesluierd te zijn. Een gat voor de mond, meer kan niet door de beugel. Sigaretten: verboden. Niet door IS georganiseerd onderwijs: afgelopen. Muziek: geen sprake van. Vluchten, of erger nog verzet, wordt genadeloos afgerekend.

Waar deze mensen verder naartoe moeten, is een raadsel. Enkelingen hebben familie in de omgeving, en kiezen er, in afwachting van beterschap voor om zo dicht mogelijk bij hun thuis te blijven. Maar de meesten hebben geen keuze, ze moeten verderop hun geluk gaan zoeken. De grens met Turkije enkele kilometers van de school is hermetisch afgesloten. Zonder duurbetaalde smokkelaar geraak je er niet meer door.

De Koerden hier in het noorden van Syrië mogen dan wel gastvrij zijn, hun eigen penibele situatie tussen hamer en aambeeld, tussen Turkije en IS, laat weinig ruimte voor liefdadigheid. Ik wil er niet aan denken wat er door je hoofd gaat als je met je vijf kleine kinderen net ontsnapt bent aan IS, en zonder geld of familie in de omgeving hier in Mabroukah bent beland.

Donderdag 21 januari: Het front bij het stadje al Hawl

 

Het is een lange rit vanuit Qamishlo aan de Turkse grens tot aan de frontlijn met IS bij al Hawl. De levendigheid van de stadjes aan de grens met Turkije maakt naarmate we het front met naderen, plaats voor desolate, uitgestorven dorpjes. De Koerdische milities hebben IS de laatste maanden verder en verder teruggedrongen. Maar de inwoners zijn al lang gevlucht, grotendeels naar de veiligere buurlanden.

Langs de weg volgt de ene checkpoint van de YPG, de Koerdische gewapende milities, de andere op. Jonge jongens die lange dagen niets anders doen dan de ene auto na de andere controleren. Verveeld, maar overtuigd dat ze allemaal strijden voor het grote ideaal: een eigen Koerdische staat.

Eenmaal in de buurt van de frontlijn worden we door een lokaal commando begeleid. Het eerste wat we tegenkomen langs de kant van de weg in de buurt van al Hawl zijn restanten van IS-strijders. Kleine hoopjes kleren, wat botten, grotendeels opgegeten door de zwerfhonden die overal rondhangen. Een begrafenis is hen niet gegund. Een roemloos einde...

Eenmaal aangekomen in al Hawl springt onmiddellijk het gerechtsgebouw van Islamitische Staat in het oog. De iconische vlag prijkt meters groot op de voorgevel. Het is een akelige gewaarwording om binnen te stappen in een plaats waar tot voor kort nog mensen veroordeeld werden tot zweepslagen, of erger onthoofding, publiekelijk op het plein in het centrum van de stad. Het gebouw ligt vol met documenten inderhaast achtergelaten bij de verovering door de Koerden. Van taksen die betaald moesten worden aan IS, tot doodvonnissen. De veroordeelden werden, zo vertellen de YPG ons, eerst een tijd lang aan de poort van het gerechtsgebouw vastgeketend. Vervolgens gemarteld op het plein een stukje verderop, verplicht in aanwezigheid van familie.

Voor de ter dood veroordeelden die niet onmiddellijk onthoofd werden, had IS nog een andere macabere behandeling. Koerdische militieleden tonen ons ondergrondse kerkers waar gevangenen per 12 werden opgesloten in ruimtes van nauwelijks 10 vierkante meter. De muren staan vol gekrabbeld met boodschappen voor de nabestaanden waarvan ze wisten dat ze ze nooit meer zouden terugzien. En kalenders waarop de dagen werden afgevinkt. 30 dagen, 40 dagen … Het moet een afschuwelijke doodstrijd zijn geweest.

Eén oud vrouwtje woont nog steeds in al Hawl. Ze is ongelofelijk maar waar de enige overblijvende inwoner. De andere 15.000 hebben veiliger oorden opgezocht. De Koerdische milities vertellen me dat de vrouw gek is. Ik probeer haar te vragen wat ze heeft meegemaakt, maar ze staart me aan met een verdwaasde blik, en antwoordt uiteindelijk: “niets”. Het is waarschijnlijk maar best dat je je niets herinnert van wat er hier gebeurd is, als je als enige overblijft.

We verlaten de stad en mogen na wat aandringen mee tot aan de verste frontlijn waar de YPG zich hebben ingegraven, 15 kilometer buiten de stad. Enkele jonge mannen bewaken een versterkte loopgracht met zicht op de stellingen van IS, nauwelijks vijf kilometer verderop. Veel is er niet te zien. IS voert af en toe verrassingsaanvallen uit, maar houdt zich de laatste weken aan deze kant het front redelijk gedeisd. Hoog boven ons hoofd horen we straaljagers overvliegen. Heel in de verte waaieren rookpluimen van gebombardeerde olie-installaties.

Alles is rustig terwijl we een kopje thee drinken met Julian, een jonge christen die de samen met de Koerden de frontlijn bewaakt. Julian heeft een foto op zijn Kalashnikov geplakt. Het is de beeltenis van zijn broer die nu martelaar is, en de voornaamste reden waarom de jongen nu zelf zijn leven in de strijd gooit. Niet in de hoop op een eigen staat, maar omdat hij het zijn plicht vindt. We nemen afscheid, en gaan op zoek naar een veilige plek om te overnachten.

Woensdag 20 januari: Erbil – Ain Diwar – Qamishlo

 

Er zijn vier manieren om Syrië vandaag binnen te geraken. Eén denkpiste valt alvast af te raden, tenzij je IS wil vervoegen: alle illegale grensovergangen via Libanon, Turkije, Jordanië of Irak naar - in min of meerdere mate - door IS gecontroleerd gebied in Syrië zijn uitgesloten. Piste twee: via Damascus met toestemming van het Assad-regime. Uitgesloten als je geen visum krijgt, en ook niet bepaald de meest vrije manier om de situatie in het land te verkennen. Dan is er ook nog de optie om via Turkije illegaal de grens over te steken, naar Koerdisch gebied. Opnieuw geen goed idee met schietgrage Turkse militairen langsheen de hele Syrische grens.

En zo belanden we bij de vierde weg: via Iraaks Koerdistan kan je de rivier de Tigris oversteken naar Rojava, de door Koerdische milities gecontroleerde regio in het noorden van Syrië die steeds verder groeit. Met toestemming van de Koerden aan de Iraakse en aan de Syrische kant van de grens is dit vandaag veruit de beste reisroute. En op de koop toe een interessante optie. Het zijn de Koerden die er vooralsnog als enigen in slagen om, met luchtsteun van de internationale coalitie, IS op het terrein terug te dringen.

Vanuit Erbil, de welvarende hoofdstad van de autonome Koerdische regio in Irak, rijden we met onze fixer Mahmoud, die uit Kobane komt, vier uur tot aan de oever van de Tigris. Bootjes met uitbundige Koerdische vlagjes pendelen heen en weer tussen Irak en Syrië. Hele families nemen hier de boot, in beide richtingen, zwaar bepakt en goedgezind. Sinds de Koerden aan beide kanten van deze grens erin geslaagd zijn om zich gewapenderhand een verregaande zelfstandigheid te veroveren, is de oversteek de navelstreng tussen de twee zusterregio’s.

Eenmaal aan de overkant, in Syrië krijgen we met een brede glimlach een papiertje met een stempel waarmee we straks via dezelfde weg weer terug naar Irak mogen. Onze Syrische chauffeur rijdt ons naar de stad Qamishlo waar de lokale Koerdische autoriteiten ons registreren en toestemming geven om verder in Rojava te mogen rondreizen. Merkwaardig in deze stad is dat er tot vandaag een paar zwaar bewaakte gebouwen staan waar de Syrische vlag boven wappert.

Mahmoud, onze fixer, vraagt ons in het voorbijrijden even op de zetel te gaan liggen. De bewakers zien niet graag westerse journalisten passeren die geen toestemming hebben van het regime in Damascus, maar wél van het lokale Koerdische regime. Het is bevreemdend hoe het regime van Assad in een 99 procent Koerdische stad aan de grens met Turkije toch nog enkele tientallen vierkante kilometers centraal gezag weet te bewaren.

Van Qamishlo gaat de rit verder naar naar het stadje Amude waar het lokale Koerdische 'ministerie van media' beslist dat je ook mag filmen op hun grondgebied. Nog een document en een stempel, allemaal met de glimlach en veel kopjes gesuikerde thee.

Nu we alle stempels en papieren op zak hebben, kunnen we morgen verder richting zuidelijke frontlijn, waar er nog steeds nieuwe dorpjes heroverd worden op IS. Vanaf de stad Hasakah, op enkele kilometers van IS-gebied, krijgen we begeleiding van de Koerdische milities. De YPG en de YPJ zijn de respectievelijk mannelijke en vrouwelijke Koerdische strijders die dag in dag uit de confrontatie aangaan met IS.

Het gebied dat de Koerden een jaar geleden nog moesten verdedigen tegen de aanvallen van de Islamitische Staat, is intussen meer dan verdubbeld in omvang, en komt stilaan dichter bij de zelf uitgeroepen hoofdstad van IS, al-Raqqa.

De volgende dagen zullen we proberen de frontlijn tussen de Koerdische milities en IS van oost naar west te volgen. Hoe ver we geraken, en hoe regelmatig we reportages zullen kunnen doorsturen, zal van de omstandigheden afhangen. En die heb je in Syrië, hoe hard je ook probeert, niet in de hand.