Vakbonden en werkgevers bereiken ontwerp van loonakkoord: dit betekent het

Vakbonden en werkgevers hebben vanochtend, na bijna twintig uur onderhandelen, een ontwerp van loonakkoord bereikt. Dat hebben de sociale partners na afloop bekendgemaakt. Niet alle vakbonden gaan evenwel het voorstel verdedigen, enkel voorleggen.

Het ontwerpakkoord houdt een stijging in van de lonen dit en volgend jaar met maximaal 1,1 procent bovenop de index. Inclusief de index betekent dit dus dat er 4,54 procent opslag komt dit en volgend jaar samen.

Ook de minimumlonen gaan omhoog, met 1,1 procent of 10 cent per uur. ABVV had eerder een stijging met 10 procent vooropgesteld voor de verhoging van dit minimumloon. "We hadden gerekend op meer", aldus Miranda Ulens, algemeen secretaris van het ABVV. Vakbonden en werkgevers zullen wel in een werkgroep bekijken hoe die minimumlonen "substantieel" kunnen worden verhoogd.

Werknemers kunnen ook rekenen op een hogere tussenkomst van de werkgever voor hun trein-, tram- en busticket. De tussenkomst stijgt van 64 naar 70 procent.

Er mogen ook meer overuren worden gepresteerd: het aantal vrijwillige overuren dat mag worden gepresteerd stijgt van 100 naar 120 uren per jaar. Hier hadden de werkgevers dan weer duidelijk op meer gerekend.

Ook werden afspraken gemaakt over de SWT-leeftijden. Voor de lange loopbanen en de zware beroepen blijft het volgens het ontwerp van akkoord mogelijk om nog 2,5 jaar lang op 59 jaar op brugpensioen te gaan. Voor bedrijven in moeilijkheden en in herstructurering wordt de brugpensioenleeftijd opgetrokken van 56 naar 58 jaar in 2019, naar 59 jaar in 2020 en naar 60 jaar eind 2020. Landingsbanen blijven dan weer mogelijk op 55 jaar voor sommige uitzonderingsregimes, op voorwaarde dat vier vijfde wordt gewerkt. Voor oudere werknemers die halftijds werken, zijn die landingsbanen vanaf 57 jaar mogelijk.

Ook de uitkeringen gaan omhoog. De laagste uitkeringen stijgen met 2,4 procent, de hoogste met 1,1 procent.