"Ik hoorde geen stemmen in hoofd"

Op de derde dag van het proces stond het verhoor van Kim De Gelder centraal. Tijdens dat verhoor gaf hij toe dat hij de stemmen in zijn hoofd heeft geveinsd. "Ik moest dat zeggen van mijn advocaat. Hij probeert mij zo te interneren". De Gelder had het over de raid op Fabeltjesland en ook over zijn eerste moord op Elza Van Raemdonck werd hij verhoord.

"Motief hou ik voor later"

De Gelder praatte de hele dag akelig rationeel over het bloedbad in Fabeltjesland. “Ik was in paniek en de kinderen lagen in de weg. U, meneer de voorzitter, zou net hetzelfde gedaan hebben.”

Toch wou De Gelder niet ingaan op het motief. Wanneer voorzitter Defoort vraagt naar de reden van zijn daden, zegt De Gelder dat hij het motief heeft opgeschreven, maar niet kan zeggen. "Dat bewaar ik voor het einde van het proces. Of desnoods voor een volgend proces".  Wanneer er later op de dag voor een tweede keer aangedrongen wordt door meester Damen, weigert De Gelder opnieuw te antwoorden. "Ik laat het antwoord over aan mijn advocaat", klinkt het. Daarop loopt het verhoor spaak, Kim De Gelder wil niet langer verhoord worden.

Geestesgestoord

Ondanks de rationaliteit waarmee De Gelder over de feiten spreekt, hamert advocaat Haentjens erop dat zijn cliënt geestesgestoord is. " Zo lang wij naar hem blijven kijken als een normaal mens, zullen wij nooit een normaal antwoord krijgen. Hij heeft een ernstige geestesstoornis. Ik pleit nu niet. Ik verduidelijk gewoon dat het voor hem niet makkelijk is om een goed en duidelijk antwoord te geven." 

"Gaat u mij voorkauwen"

Het verhoor verliep de hele dag moeizaam. Voorzitter Defoort wil gedetailleerd weten wat er is gebeurd in Fabeltjesland, maar De Gelder vertelt maar weinig uit zichzelf. Hij vindt het zelfs storend dat de voorzitter zoveel praat. “Ik vind het heel vervelend dat u zoveel details bovenhaalt. Mag ik de feiten vertellen op mijn eigen manier?”

De Gelder weigert zelfs even verder te praten. Hij gaat zitten en zet zijn microfoon uit. Maar hij gaat snel weer verder. “Ik raakte in paniek”, zegt hij. “Ik wilde naar buiten. Iedereen die in mijn weg stond duwde ik weg of stak ik neer.”

"Ze stonden in de weg"

Als de voorzitter vraagt hoe een kind dat in een kribbe ligt in de weg kan staan, antwoordt De Gelder koel. “Ik was in paniek”, zegt hij. “Weet u wat paniek is? Als u in dezelfde situatie zat, zou u net hetzelfde gedaan hebben.”

Details over eerste moord

Het verhoor van maandag begon met vragen over de eerste moord die hij pleegde, die op Elza Van Raemdonck. Ook hier vertelt De Gelder koel over de details. Al toont hij vaak twee gezichten, de ene keer aarzelend en met berouw, de andere keer rationeel.  “Ik wil het juist uitleggen wat er is gebeurd. Zodat de nabestaanden weten wat er is gebeurd, zodat zij dat kunnen verwerken. Maar ik heb mij daar vandaag niet op voorbereid om dit in detail uit te leggen. Dus dat is moeilijk voor mij.”

Uiteindelijk begint De Gelder toch te vertellen, traag en aarzelend komen er details: “Ik heb haar gegrepen in het gezicht, daarna positioneerde ik mijn mes tegen de halsslagader en heb ik haar een korte steek gegeven." De Gelder maakt zelfs handbewegingen om zijn uitleg te verduidelijken. Heel precies omschrijft hij waar en hoeveel keer hij de bejaarde vrouw heeft gestoken. “Ik heb het bebloede mes afgeveegd aan haar trui. Om te controleren of er iemand thuis was riep ik ‘Is hier nog iemand aanwezig?’ Ik kreeg geen antwoord, maar zag wel een witte kat aan de achterdeur.”

"Ik wilde niet stoppen, de dwang was te groot" 

Toen De Gelder thuis kwam na de moord, trok hij zich terug in de badkamer. Urenlang bleef hij toen op het bad zitten. “"Ik dacht na over wat ik gedaan had, het drong nog niet volledig door. Maar ik wilde niet stoppen. De dwang was te groot. Dat heeft nadien zijn uitwerking gehad in Fabeltjesland. Ik voelde mij slecht bij wat er gebeurd was." Nadien ging De Gelder nog naar een comedyshow maar daar voelde hij zich de hele avond slecht.

De Gelder vertelde ook dat hij verschillende doelwitten had voor zijn moordplannen: "Iedereen in één straat, kinderdagverblijven, kleuterscholen, ziekenhuizen, bejaardentehuizen en winkelcentra." Allemaal mensen die hij niet kent. Als voorzitter Defoort vraagt waarom hij net onbekende mensen wilde vermoorden, antwoordt De Gelder snedig: "Mensen die je kent, vermoord je toch niet?"

Even later toont Kim De Gelder plots berouw: "Ik heb het er nog altijd moeilijk mee", zegt De Gelder, "ik weet dat hier veel mensen in de zaal zijn die het nu heel moeilijk hebben".  De Gelder wil ook weten wat voor leven zijn slachtoffers hadden. "Ik hoop dat hun families mij dat kunnen vertellen. En dat ze hun verdriet en leed aan mij kwijt kunnen." 

Als hij de moorden ging uitvoeren, was De Gelder goed voorbereid. "Ik had heel wat op zak: reservekleren, pleisters, messen en zelfs twee energierepen, voor het geval ik een flauwte zou krijgen."