"Meer communicatie rond radicalisering"

Leraren, wijkagenten en straathoekwerkers moeten geradicaliseerde jongeren helpen opsporen. Dat staat in het nieuwe plan van de regering tegen radicalisering. Het zijn juist die mensen die al snel doorhebben dat het fout loopt bij bepaalde jongeren. Maar hun informatie komt meestal niet bij de politie terecht. Dat moet beter zegt Paul Van Tigchelt, de baas van het OCAD, aan VTM NIEUWS.

Het OCAD, dat de dreigingsanalyse maakt voor ons land, vindt dat de strijd tegen extremisme niet langer in een achterkamertje moet worden bedisseld. “De tijd is voorbij dat de strijd tegen gewelddadige radicalisering alleen nog een kwestie is van inlichtingen-, politie- en veiligheidsdiensten”, aldus Paul Van Tigchelt. “We willen dat de strijd tegen kwalijke radicalisering een verantwoordelijkheid wordt van iedereen.”

Het voorbeeld van Bilal Hadfi, die zichzelf opblies in Parijs, is treffend. Hij verheerlijkte de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo in de klas. Dat wist de school wel, maar de politie niet. “Informatie moet gedeeld worden tussen alle echelons, in de mate van het mogelijke. En die moet niet worden gedeeld voor het plezier van het hebben van die informatie, maar wel om de juiste autoriteit toe te laten om de juiste maatregelen te nemen.”

De regering zet nu in op lokale werkgroepen, waarbij leerkrachten en straathoekwerkers regelmatig samenkomen om informatie uit te wisselen, met de politie bijvoorbeeld. Maar het is niet de bedoeling om iedereen die in zo'n werkgroep ter sprake komt te gaan arresteren.